buik etymology

Dutch word buik comes from Proto-Indo-European *bū-, Proto-Indo-European *bʰōw-, Proto-Indo-European *bʰuǵ- (Buck, he-goat.), Proto-Indo-European *bʰugo-, Proto-Indo-European *bhug̑-

Detailed word origin of buik

Dictionary entryLanguageDefinition
*bū- Proto-Indo-European (ine-pro)
*bʰōw- Proto-Indo-European (ine-pro) to swell, inflate, to blow, swell , to dwell
*bʰuǵ- Proto-Indo-European (ine-pro) Buck, he-goat.
*bʰugo- Proto-Indo-European (ine-pro)
*bhug̑- Proto-Indo-European (ine-pro)
*būkaz Proto-Germanic (gem-pro) Belly, abdomen. Body.
*bukkô Proto-Germanic (gem-pro)
*buk Frankish (frk)
būk Old Dutch (odt)
buuc Middle Dutch (dum) Abdomen. Belly. Half of a slaughtered animal.
buik Dutch (nld) (nautical) The lowest inner part of a ship's hull, where water accumulates.. Belly. Paunch (referring euphemistically to a protrusive belly).

Words with the same origin as buik

Descendants of *bū-
borie buil etterbuil
Descendants of *bʰōw-
aanbouw beuk boezem bok bokken bouwdoos bouwen bouwkunde bouwplaats bouwval bouwwerf buikdans buikgriep buikje buikpijn googelen onderbuik opbouw steenbok uitbuiken uitbuikwandeling wederopbouw zondebok
Descendants of *bʰuǵ-
bierbuik bokkensprong buikdenning buikdienst buikdrager buikschuiver buikvin buikvlies buikvliesontsteking geitenbok keper reebok spekbuik springbok
Descendants of *bʰugo-
bierpens bokkig bovenbuik buikdienaar buiktyfus capriool schachtbok
Descendants of *bhug̑-
hertenbok steenbokskeerkring zaagbok