buil etymology

Dutch word buil comes from Proto-Indo-European *bʰew-, Proto-Germanic *būlǭ (Swelling; bump; boil.), Proto-Indo-European *bʰōw-

Detailed word origin of buil

Dictionary entryLanguageDefinition
*bʰew- Proto-Indo-European (ine-pro)
*būlǭ Proto-Germanic (gem-pro) Swelling; bump; boil.
*bʰōw- Proto-Indo-European (ine-pro) to swell, inflate, to blow, swell , to dwell
*būlō Proto-Germanic (gem-pro) Boil; sore.
*būlijǭ Proto-Germanic (gem-pro)
*būla Old Dutch (odt)
buil Dutch (nld) Bruise, bump.

Words with the same origin as buil

Descendants of *bʰew-
baken bakken baksteen beat ben boei boeten bok bomen boom boomhut boos boosheid boten botsen botsing botten buik buikje buikpijn kerstboom poel pol pool zondebok
Descendants of *būlǭ
borie etterbuil
Descendants of *bʰōw-
aanbouw beuk boezem bokken bouwdoos bouwen bouwkunde bouwplaats bouwval bouwwerf buikdans buikgriep googelen onderbuik opbouw steenbok uitbuiken uitbuikwandeling wederopbouw