huizenbezitter etymology

Dutch word huizenbezitter comes from Dutch huis (House.), Dutch bezitter, Dutch -en-

Detailed word origin of huizenbezitter

Dictionary entryLanguageDefinition
huis Dutch (nld) House.
bezitter Dutch (nld) Possessor (and possibly, but not necessarily, also the owner).
-en- Dutch (nld) Genitival interfix indicating that the former part is a characteristic of the latter.
huizenbezitter Dutch (nld) Homeowner.

Words with the same origin as huizenbezitter

Descendants of huis
huizenmarkt verhuizen verhuizing
Descendants of -en-
beddengoed bijenkorf boekenkast dierenarts dierenbescherming dodental gastenverblijf gekkenhuis heksenjacht kippenhok kippenvel klokkentoren kurkentrekker lijkenhuis lippenstift mensenhandel pannenkoek plankenkoorts platencontract poppenkast poppenspeler ruggengraat sterrenbeeld woordenwisseling zakkenwasser